Hoe was het leven tijdens de oorlog op een boerderij vlak tegen de grens met Duitsland? De notities van Jo Tops-Smit werpen er licht op. Tijdens de oorlog woonde ze op De Schriek, de boerderij van haar ouders bij Netterden. Het drama van de oorlog klopte er regelmatig op de deur. Jaren later heeft ze haar herinneringen met soms grote precisie opgeschreven. Een selectie.

Maart 1939:

De grens Netterden-Emmerich is nog steeds open. Maar als we nu nog over Emmerich fietsen dan ergeren we ons als we overal de vlaggen zien hangen met de hakenkruisen erop, kinderen lopen in uniformen, demonstreren met nazi-petjes op en zingen uit volle borst „Die Fahne hoch, SA marchiert.” Hoe dikwijls zullen we hier nog door de stad kunnen fietsen. Het gevaar komt steeds dichterbij.

10 mei 1940:

Vroeg in de morgen worden we opgeschrikt door een immens lawaai en een geronk. We vliegen het bed uit en kijken uit het raam. De lucht ziet zwart van de vliegtuigen, wel honderden. Het is niet te geloven, de koeien hollen door de weilanden.
Na het melken hebben we toch de pannenkoeken als op andere dagen gebakken. Wat moeten we anders, hoewel we haast geen brok door onze keel kunnen krijgen.
Waar we het de eerste morgen al van op de zenuwen kregen, was dat een Duitse militair met een geladen karabijn in de aanslag de schuur in kwam lopen en op zo'n dreigende toon vroeg of we Waffens im Haus hatten. Nee, zei Vader, waarom moet dat op zo'n brute manier gevraagd worden, moeten we nog meer de grond in geboord worden? Ich wol mal suchen. Overal snuffelde hij rond, op de zolders in 't hooi en stro en kasten.
De eerste week van juni 1940 opperden Dorus en ik een plan om samen naar de Wieringermeer te fietsen. Het was een hele onderneming, maar we volbrachten de tocht van 220 km. We vertrokken 's ochtends om 5 uur, gezakt en gepakt. We kwamen 's avonds om 9 uur aan bij Gerrit en Stien. Onderweg namen we de gelegenheid waar even een afslag te nemen om over de Grebbeberg bij Wageningen te fietsen, dit was een afschuwelijk gezicht. Er was nog niets opgeruimd van het oorlogsgeweld. De Duitsers waren bezig om de massagraven leeg te halen, overal zag je nog hetzij een helm, een schoen, een plunjezak of iets dergelijks liggen. Niet overal mochten we een kijkje nemen. De bossen waren kaalgeschoten, een afgrijselijk gezicht. We vervolgden maar vlug onze rit.

Juli 1941:

Als we op het land bezig zijn met de oogst worden we geregeld opgeschrikt door de vliegtuigen van de Engelse Tommies. Ze duiken dan plotseling naar beneden en beschieten op de Rijn hier dichtbij de boten, we laten ons vallen op de grond en bibberen van angst, want 't gebeurt maar een paar kilometer van ons vandaan.

Februari 1943:

Mijn vriend Jan werkt nog steeds bij z'n broer Antoon in de bakkerij maar hij maakt zich ook veel zorgen dat hij opgeroepen zal worden. We kennen elkaar al ruim twee jaar. Onze toekomst is nog geheel donker. Wat kunnen we beginnen in deze zorgelijke tijd? Jan is 29 en ik 28. Wel willen we ons toch gaan verloven en dit zal op tweede paasdag zijn bij ons op De Schriek.
(...)
Het verlovingsdiner was in één woord af, iedereen was vol lof en dan te bedenken dat alles op de bon is. Wat ben je dan rijk dat je op een boerderij zit met eigen producten. De Topsen gingen 's avonds wel voldaan richting Groenlo, maar de Smitten bleven die nacht over. 't Ging zo goed als 't kon, de mannen sliepen op een rijtje op 't kantoor. De vrouwen op de andere kamer. Maar 's avonds tegen 10 uur, ja hoor de vliegtuigen waren er alweer. We doken met z'n allen de kelder in.

21 mei 1943:


De mensen kunnen de spanningen haast niet meer aan. Op donderdagnacht viel er bij Daniels, ongeveer 3 kilometer van De Schriek, een Engels vliegtuig in de wei. Er waren zes doden, één persoon leefde nog. Weer zoveel mensen in rouw gedompeld.

22 juni:

De zware koperen klokken (3 stuks) moeten uit de toren worden gehaald. Vader kreeg bericht van de pastoor en wilde het kerkbestuur bij hem hebben om over deze verdrietige zaak te kunnen praten. Het moest gebeuren, Befehl ist Befehl, en daarmee uit. Toen we de zaterdag erop naar de kerk kwamen, stonden daar de drie grote kolossen van klokken op het kerkplein om ingeladen te worden op een Duitse trailer. De pastoor sprak een gebed uit en hoopte dat het materiaal wat ervan gemaakt zou worden, n.l. granaathulzen etc., nooit dienst zou doen om onze kerk met z'n parochianen te vernietigen.

Juli 1943:

Op een morgen gaan Dorus en ik 's morgens al vroeg melken want om 7 uur moet de melk klaar staan, dan staat de melkrijder bij de boerderij. Opeens ziet Dorus boven in de graanschuur een hoofd omhoog komen en een vreemd persoon komt naar ons toe, hij spreekt een vreemde taal. Wat krijgen we nu, dat moet een Fransman zijn, met behulp van gebaren merken we: hij is voor de Duitsers gevlucht en wil graag onderdak. We moeten eerst het melken afmaken en dan nemen we hem mee naar huis. Dorus fouilleert hem eerst. Hij is uiterst beleefd en heeft honger. Krijgt schone kleren en eten. Een bed wordt voor hem klaargemaakt en we noemen hem Charles. Hij noemt mij madam.

3 april 1944:

Aan de weg voor onze boerderij, waar een grote fruitboomgaard van een eigenaar uit Hummelo-Keppel, Tankink, enige jaren terug is aangelegd, zijn de Duitsers druk bezig om afweergeschut, wapens en granaatmateriaal onder te brengen en in te graven, het is vanuit de lucht niet te zien. Het hele gedoe wordt bewaakt door strenge militairen. We krijgen er vier ingekwartierd. Na enkele dagen merken we dat ze de Krieg allang beu zijn.
(...)
Er komt een oproep bij de boeren in Netterden: zondagmorgen moeten ze met paard en wagen klaar staan om evacuees uit Ottersum (Limburg) bij Emmerik en Kleef op te halen. Zij kregen bevel naar Friesland te gaan. Het ging om een groep van zo'n driehonderd mensen. Tien van hen hebben onderweg een woonwagen met paard kunnen bemachtigen. Op het moment dat ze in Netterden aankwamen waren ze al een paar dagen onderweg.
We konden onze ogen niet geloven, hoe de mensen uit de woonwagen kwamen. Zeer oude mensen, vrouwen die pas bevallen waren met hun baby, hoogzwangere vrouwen, zieke mensen die van angst aan de diarree waren, noem maar op. Al een paar dagen hadden ze geen warm eten meer gehad. We hadden aardappelen, witte kool, spek, havermout van eigen haver (die lieten we pletten bij onze molenaar) en de grote pot waar ook 't afval van groenten en krielaardappelen in werden gekookt voor de varkens. We gingen eerst die grote pot schoonboenen. De jonge jongens en meisjes gingen aardappels schillen en de kool snijden, het hout aanbrengen om de pot te stoken en in de kortst mogelijke tijd stond de stamppot te koken.
(...)
Behalve het bed van Vader en Moeder stonden wij onze bedden af voor het omaatje en de hoogzwangere en de zieke mensen, als ook het kraamvrouwtje. De bedden die we hadden werden op de zolders boven de stallen geplaatst. De vrouwen sliepen aan de ene kant, de mannen aan de andere. Onze eigen mannen konden in de schuilplaats slapen. Allen waren doodmoe, maar wilden toch wel even hun belevenissen kwijt. Toen opeens stond er een vrouw op en begon de rozenkrans te bidden, iedereen deed in volle overgave mee. Daarna sloten ze de dag af met het Limburgse volkslied.

23 oktober 1944:

Zaterdagmiddag 2 uur horen we een geronk van vliegtuigen. Het komt steeds dichterbij, vreselijk, we vliegen over elkaar heen de kelder in. Moeder begon te bidden, we kropen heel dicht bij elkaar, we dachten dit is ons laatste uur. Na enige tijd gingen we voorzichtig buiten kijken en zagen toen dat Emmerik in brand stond. We konden niet met open ogen kijken, alles was roet, snipper, papier geschroeid, stof, gerafelde vitrage, stukken vloerbedekking, brieven met opschrift 'Liebe Kristel', enz.enz. De lucht was niet om uit te houden.
Maart 1945:
Vanmiddag was het angstig, de jagers (Tommies) hebben bommen laten vallen op de kanonnen die hier in de boomgaard staan. We horen van de Duitse mannen dat er een kapot is en dat drie Duitsers gewond zijn.

29 maart 1945, Witte Donderdag:

Wij allemaal zitten in de kelder aan 't ontbijt. Daar opeens komt Dorus binnen de trap af stormen, helemaal van streek. „Ze hebben op me geschoten”. Toen hij op De Wals was (een klein buurtschap waar je doorheen kwam op weg naar Gendringen, red.), zag hij elke honderd meter een gevechtsauto staan. Hij keerde om en toen hij op onze grindweg kwam schoten ze met mitrailleurs op hem. Hij is op handen en voeten naar huis gekropen. Wat heeft Onze Lieve Heer hem daar gespaard. Uit dankbaarheid hebben we samen gebeden.
Het is nu elf uur, we weten nog steeds niet of die auto waarvandaan op Dorus is geschoten of dat een Mof of een Tommy was. We mogen eigenlijk niet uit de kelder om te kijken, het is vreselijk gevaarlijk. De mannen willen toch telkens even een glimp wagen om te zien wat er rondom ons staat te gebeuren. Ze komen weer in de kelder terug en zeggen dan: we hebben een man zien lopen met een lange stok en een witte vlag eraan. Nu is het toch wel zeker dat de Tommies er zijn.
Het is half twaalf. Dorus en Jozef hebben zojuist met Wim de witte vlag gehesen op De Schriek. Hij staat te wapperen in de volle wind boven in de rozenboog in de tuin. We zijn nu allemaal uit de kelder gekomen met een luid hoerageroep, we dringen de gang in om even in de voorkeur een kijkje naar buiten te richten. We zien een gevechtswagentje rijden. Nu staat het weer eventjes stil op de Meghelse weg tussen de uitrit van Otten en van onze Schriekseweg.
Nu is het kwart over twaalf. Er komen meer gevechtswagens en ook drie tanks, alles over de Walse weg. Jongens we zien het nu duidelijk het zijn de Tommies. Hiep hoi, hiep hoi.
Maar laten we oppassen, we weten nog niet wat er in Gendringen en Netterden en bij de boeren nog aan moffen schuilt.
Halfvijf. Ja, jongens, de Tommy is er weer. We hebben hem omhelsd en gesproken. Jozef zag hem aankomen met een chauffeur in een kleine Jeep. Ze komen vanaf Otten, achter door het land. Een officier met een soldaat, met tranen in de ogen konden wij ze welkom heten. We stonden met z'n allen te juichen. Het waren Canadezen. De officier was blij dat Trees wat Engels kon spreken. Het was een indrukwekkend moment. De Canadees in een pracht uniform. We kwamen er achter dat hij straks voor de avond met honderd mannen wilde komen. Of dat wel kon. Wij allemaal roepen: ja hoor, komen jullie maar, al komen jullie met duizend mensen.
Zes uur. Daar komt me toch een hele invasie het erf op.
Acht uur. Het is om nooit te vergeten, hoe oud we ook mogen worden. We hebben onze ogen uitgekeken. Wat had dit leger een spullen bij zich! Er staan wel vijftien zware tanks en diverse auto's op het erf en er zijn nu meer dan tweehonderd manschappen.

30 maart 1945
:

Vanmorgen brachten de Tommies gevangenen, moffen, binnen, geboeid natuurlijk. Iedereen stond er omheen. Wij mogen niet met ze praten. Bertus begon luidkeels te zingen 'Wir fahren gegen England'. Toen de Tommies dat hoorden begonnen ze te lachen.

3 april 1945:

Het is op het ogenblik weer rustig op onze Schriek. We zijn alle Tommies kwijt, driehonderd man. Tweede paasdag zijn ze vertrokken. Wat een grote bende is het toch in en om het huis. Er is op deze middag een bid-uur in de kerk uit dankbaarheid. We zijn zoveel mogelijk erheen geweest. De kerk was stampvol.
© Trouw 2010, op dit artikel rust copyright .
Oorlog in Netterden / Hiep hoi, het zijn de Tommies